|
Over Brussel: van Vlaamse tot kosmopolitische stad
Brussel is een stad om van te houden, al beseffen de meeste Vlamingen dat niet. Vele Vlamingen hebben een haat-liefdeverhouding met Brussel of zijn onwetend over hun hoofdstad. De Nederlandstalige oorsprong van Brussel is onmiskenbaar en is nog dagelijks voelbaar in het rijke cultuurhistorische patrimonium van de stad. Alleen al de naam Brussel, ontstaan uit het oorspronkelijke Broekzele (een doorwaadbare plek in een moeras), wijst naar de Nederlandstalige bron van de stad. Lange tijd was Brussel zelfs ‘Vlaamser’ dan Vlaanderen. Eeuwenlang was het Frans sterk verspreid in Vlaanderen, omdat het graafschap Vlaanderen integraal afhing van de Franse kroon. In het hertogdom Brabant, waartoe Brussel behoorde, was daarentegen het Nederlands de voertaal, ook bij de toplaag van de burgerij, de patriciërs. Tot diep in de negentiende eeuw sprak de overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking Nederlands, meestal het Brusselse dialect. Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam in Brussel een massale verfransing op gang onder druk van de Franstalige elite in het unitaire België. De redenen waren zowel politiek-institutioneel, financieel-economisch als sociaal-cultureel. De Tweede Wereldoorlog dreigde het Nederlands in Brussel de genadeslag toe te brengen. De collaboratie van het Vlaams-nationalisme met de nazibezetters werd na de bevrijding zwaar aangerekend. Al wat Vlaams was, werd in Brussel over één kam geschoren met het verraad van de collaboratie. De eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, kunnen we rustig omschrijven als de ‘catacombentijd’ van de Brusselse Vlamingen. Een periode waarin zij op eigen kracht, tegen de stroom in, moesten vechten voor de overleving van hun eigen taal, cultuur en onderwijs. Er was toen moed en zelfopoffering voor nodig om zich als Vlaming in Brussel staande te houden. Zelf ben ik van een generatie die zich verwensingen als ‘sale flamin’ moest laten welgevallen of tijdens de speeltijd op school stenen naar het hoofd geslingerd kreeg omdat je Vlaming was in Brussel... Tegelijk is in die periode de wederopstanding van de Vlaamse gemeenschap in Brussel begonnen, met steun uit Vlaanderen. In de jaren vijftig al inspireerde de legendarische Antwerpse stadssecretaris Ger Schmook burgemeester Lode Craeybeckx tot het lanceren van de slogan ‘Antwerpen laat Brussel niet los’. In 1959 deden de schrijvers Stijn Streuvels en Herman Teirlinck een plechtige oproep tot alle Belgen om de Vlamingen in Brussel niet te veronachtzamen. In 1961 en 1962 waren er de roemruchte Vlaamse marsen op Brussel. In de jaren zeventig van de vorige eeuw vierde de Fransdolheid van een grote schare Brusselse machthebbers hoogtij. Met een pletwals wilden zij toen Brussel op irreversibele wijze definitief verfransen. Opnieuw waren het eminente Vlaamse schrijvers van alle strekkingen die hun stem verhieven. Op 25 mei 1976 ondertekenden Louis Paul Boon, André Demedts, Marnix Gijsen, Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gerard Walschap, Albert Westerlinck en Anton Van Wilderode een gezamenlijke verklaring, waaruit ik het volgende citeer:
Dertig jaar later heeft deze tekst niets aan actualiteitswaarde ingeboet.
Een belangrijk keerpunt is 1989. In dat jaar kwam het Brussels Hoofdstedelijk Gewest officieel tot stand, met een eigen regionaal parlement en een quasi paritaire gewestregering - dat wil zeggen met bijna evenveel Nederlandstalige als Franstalige regeringsleden. Sinds de verkiezingen van 2004 hebben de Vlamingen bovendien een gewaarborgde vertegenwoordiging in het Brusselse gewestparlement. Voorts kunnen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap sinds 1989 in Brussel hun eigen boontjes doppen. Aan Nederlandstalige kant ontstond toen de Vlaamse Gemeenschapscommissie, kortweg VGC. De Vlaamse Gemeenschapscommissie is de opvolger van de Nederlandse Cultuurcommissie (NCC), die al sinds 1971 pionierswerk leverde. De Vlaamse Gemeenschapscommissie behartigt de belangen van de Brusselse Vlamingen en is bevoegd voor cultuur, onderwijs, gezondheid en welzijn. In de Raad van de VGC, die de rol speelt van Vlaams-Brussels gemeenschapsparlement, zetelen de zeventien Vlaamse gekozenen uit het Brusselse regionale parlement. Het College van de VGC, de uitvoerende macht, bestaat uit de drie Vlaamse leden van de Brusselse gewestregering. Sinds 1989 is de Vlaamse Gemeenschapscommissie uitgegroeid van een bescheiden medespeler tot een onmisbare en invloedrijke partner in het hoofdstedelijk beleid. Toch zijn er na al die jaren nog minpunten. In de meeste Brusselse gemeenten komen de Vlamingen nog onvoldoende aan hun trekken, ondanks het feit dat er nu in bijna alle negentien gemeenten Vlaamse schepenen zijn. Aan een gemeentelijk loket moet je als Nederlandstalige nog altijd op je strepen staan om in het Nederlands bediend te worden. Spontaan word je maar zelden in het Nederlands bediend. Ook de tweetaligheid in de meeste ziekenhuizen laat nog steeds te wensen over. Het zal je maar gebeuren: ernstig ziek opgenomen worden als patiënt in een Brussels ziekenhuis en niet eens begrepen worden door een arts of een verpleegster. Ook oud en zorgbehoevend worden als Vlaming in de hoofdstad is niet prettig. Er is nog altijd een schrijnend gebrek aan Nederlandstalige thuiszorg en Vlaamse of echt tweetalige rust- en verzorgingstehuizen zijn met een vergrootglas te zoeken. En toch is Brussel voor de Vlamingen een stad om te koesteren, een stad om trots op te zijn. Brussel is voor Vlaanderen de poort naar de wereld en een smeltkroes van culturen. Brussel is de plek waar wij de Vlaamse cultuur etaleren en waar we de Vlaamse cultuur laten bevruchten door andere culturen. Er is geen reden om bang te zijn. De Vlaamse gemeenschap in Brussel is weerbaar en krachtig genoeg om als minderheid tussen de toenemende minderheden te gedijen in deze kosmopool. Zelfs in een minimalistische visie dat er maar vijftien procent Vlamingen zijn in de hoofdstad, betekent dat nog altijd dat er 150.000 Vlamingen in Brussel wonen. Dat is minder dan in Antwerpen en Gent, maar meer dan in Brugge, Leuven, Hasselt en alle andere Vlaamse centrumsteden. Bovendien spreekt meer dan 33 procent van alle Brusselse inwoners Nederlands. Dat wij als Vlaamse gemeenschap kunnen meebouwen aan de toekomst van de enige wereldstad die we hebben, moet voor ons allen een uitdaging zijn. Alleen al daarom mag Vlaanderen Brussel nooit uit handen geven. Brussel is om lief te hebben.
|